Selecteer een pagina

Op dit drukke eiland zijn we dan toch beland “in the middle of nowhere”. Het is net na zonsopgang en zonder iemand tegen te komen rijden we alsmaar westwaarts over een smaller wordende weg tot we niet verder kunnen. Bij het uitstappen worden we getrakteerd op een bijzonder concert vanuit de steeneiken die ons omringen. Afwisselend voor en achter ons klinkt een herhaald gedempt maar toch verdragend Whoop-whoop-whoop. Nog nooit zoiets gehoord! Het zijn hoppen (Upupa epops, Hoopoe), in conclaaf, wat zouden ze zo vroeg op de ochtend te bespreken hebben?

Maar we komen met een ander doel. Met de zon net boven de horizon in onze rug, lopen we daarom richting de vuurtoren die in de verte wit afsteekt tegen de azuurblauwe zee. Zij waakt hier al sinds 1862 over de grens van land en zee. Dichterbij gekomen wordt duidelijk waarom het lichtbaken juist hier staat. Voor onze voeten valt de rotsige bodem bijna honderd meter steil omlaag de Middellandse zee in. Het uitzicht vanaf Cap Blanc over het weidse blauw op deze wat frisse ochtend geeft een diep gevoel van rust en ruimte. Ik haal een keer diep adem en laat de indrukken op me inwerken, heerlijk! Er staat een lichte bries en voor ons scheren enkele pijlstormvogels vlak over het water, kantelend over de rimpelingen in de bijkans vlakke zee. Scopoli’s pijlstormvogels (Calometrics diomediae, Cory’s shearwater) zijn het die zo afwisselend hun grijsbruine mantel en helderwitte buik tonen. Hoe mooi en verassend hun aanwezigheid ook is, we zijn op zoek naar een zeldzamer gast.

We speuren de steile rotskliffen onder ons af, maar het blijft stil. We lopen verder en zoeken zo een uur of langer om ons heen, maar onze mystery guest laat zich niet zien. Tot een duiker met een oranje drijver in zee onze aandacht trekt. Voorzichtig kijken we over de rand in de diepte hoe de onbekende zijn apparatuur ver beneden ons uit het water op de rotsen trekt. En dan, dan opeens vliegt er iets in een blauwe flits voorbij en landt niet ver onder ons op een uitstekende rotspunt. Geen twijfel mogelijk, het is een Blauwe rotslijster (Monticola solitarius, Blue Rock Thrush), een mannetje nog wel in zijn namegiving blauwe verenpak! Geduld beloond! Met de verrekijker is hij mooi te zien. Dit is zijn terrein; steile kliffen en berghellingen, hier is hij in zijn element. In Zuid-Europa zijn Blauwe rotslijsters standvogels. In de winter trekken ze dus niet weg. Het gevolg is dat ze in Noord-Europa niet of nauwelijks worden waargenomen. Zo is hij in Nederland nog maar drie maal gezien.

Dit is mijn eerste, reden om er eens goed voor te gaan zitten. De lijster in zijn blauwe mantel oogt schuw en is zich duidelijk van ons bewust. Ongedurig omdraaiend rust hij helaas slechts kort. Hij kijkt naar ons op en nog eens en laat zich vervolgens geruisloos van zijn rotspunt in de diepte vallen en verdwijnt uit het zicht, zo snel als hij verscheen. Ons opgewonden achterlatend.

‘S avonds proberen we het nog eens. Ook dan zien we twee mannetjes, al is het slechts kort en uit de verte.
Wanneer de zon langzaam in zee verdwijnt wordt het tijd om te gaan.