We waren tien dagen in India en verwonderden ons nog continu over wat India tot India maakt; de kleurrijke hectiek op straat, de armoede, het cricket dat op ieder vlak stukje grond gespeeld wordt, het mooie landschap, het vuil langs de weg en natuurlijk de alom aanwezige koeien. We logeerden in The Birder’s Inn in Bharatpur – tweehonderd kilometer ten zuiden van New Delhi, niet ver van de Taj Mahal in Agra – met één doel: ons onderdompelen in de groene oase van het Keoladeo Bird Sanctuary.

‘s Middags werden we opgehaald door een man op leeftijd die het park op zijn duimpje kende en ons rond zou leiden. Op zijn vraag wat we graag zouden zien, antwoordde ik dat de Saruskraanvogel (Antigone antigone) hoog op ons verlanglijstje stond. Hierop lachte hij zijn laatste wankele donkerbruine tanden bloot en opperde dat dat misschien wat veel gevraagd was. Het park was weliswaar twee paartjes kraanvogels rijk, maar deze lieten zich niet gemakkelijk zien. Vijftienduizend exemplaren zijn er nog maar van deze grootste aller kraanvogels, die het door habitatverlies steeds moeilijker krijgen.

Het contrast met de drukte in Bharatpur had niet groter kunnen zijn. Eenmaal op weg in Keoladeo werden we opgenomen in de groene waterrijke stilte van het park en verbaasden ons over de vele reigerachtigen, ijsvogels, slangenhalsvogels en arenden. Veel overwinteraars waren nog aanwezig, op het punt staand om naar hun broedgebieden te trekken, noordelijk van de Himalaya. Slechts een handjevol vogelaars bevolkten de paden en al snel waren we alleen. Steeds dieper verdwenen we in het park tot we laat in de middag met de zon laag aan de horizon, geheel onverwacht, oog in oog stonden met een paartje Saruskraanvogels. In volstrekte stilte, ver weg van de bewoonde wereld, foerageerden de reusachtige langbenen in het late avondlicht. Dit, tot het mannetje uit het water stapte en een verhoging opzocht, zijn kop in zijn nek legde en de stilte doorbrak met zijn luide trompetterende roep. Mooie momenten die je niet snel vergeet!